| 11-11-2005: Eerste
Kamer stemt in met Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
De Eerste Kamer heeft vandaag ingestemd
met de WIA, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen van
minister De Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De
WIA is de opvolger van de huidige WAO (uit 1967). De nieuwe
wet gaat in op 1 januari 2006. De Wet WIA legt het accent
op wat mensen nog wel kunnen in plaats van wat zij niet meer
kunnen. In de nieuwe wet staat werk voorop. Dit betekent een
breuk met de bestaande arbeidsongeschiktheidswetgeving, waarin
de nadruk vooral ligt op inkomensondersteuning. De wet bestaat
uit twee delen: de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten
(WGA) en de Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten
(IVA).
Weer aan het werk
Minister De Geus verwacht dat door de nieuwe
wet alle betrokkenen - werknemers, werkgevers, verzekeraars
en het UWV - alles op alles zullen zetten ervoor te zorgen
dat gedeeltelijk arbeidsgeschikten zo veel mogelijk aan de
slag gaan of blijven. Dat begint in het eerste en tweede ziektejaar.
De werkgever is sinds 1 januari 2004 verplicht een werknemer
bij ziekte twee jaar lang minimaal 70 procent van het loon
door te betalen. Bovendien zijn de werkgever en werknemer
beiden verantwoordelijk voor acties die leiden tot de hervatting
van het werk. Sociale partners hebben afgesproken om de eerste
twee ziektejaren in totaal niet meer dan 170 procent van het
laatstverdiende loon te betalen.
Aan het eind van het tweede ziektejaar beoordeelt het UWV
of beide partijen er alles aan gedaan hebben om de zieke werknemer
aan het werk te houden of te krijgen. Als dat het geval is,
dan volgt de keuring. Een gedeeltelijk arbeidsgeschikte (dat
is iemand die minder dan 65 procent arbeidsgeschikt is) heeft
recht op een uitkering op grond van de WGA. Deze regeling
stimuleert werknemers om (meer) te gaan werken omdat het totale
inkomen stijgt naarmate iemand meer werkt.
De WGA stimuleert ook werkgevers. Zo zijn werkgevers die een
gedeeltelijk arbeidsgeschikte aan het werk helpen of houden
niet verplicht het loon door te betalen als de betrokkene
binnen vijf jaar opnieuw ziek wordt (no risk polis). Het UWV
neemt in dat geval de loondoorbetaling over. Daarnaast krijgt
een werkgever korting op de premies voor de sociale verzekeringen
als hij een gedeeltelijk arbeidsgeschikte in dienst neemt
of houdt. Ook de flexibele premie voor de WGA prikkelt de
werkgever: de premie wordt lager naarmate minder van zijn
werknemers in de WGA komen.
De WGA kent eerst een op het laatst verdiende loon gebaseerde
uitkering. Dit is wel gebonden aan een maximum. Werkt iemand,
dan bedraagt de uitkering 70 procent van het verschil tussen
het oude loon en het nieuwe (lagere) loon. Werkt iemand niet,
dan is de uitkering 70 procent van het laatstverdiende loon.
Bij de berekening van de uitkering geldt een maximum dagloon.
De uitkeringsduur is - net als bij de WW - afhankelijk van
iemands arbeidsverleden.
Na afloop van deze uitkering bestaat recht op een loonaanvulling
of een vervolguitkering. Een gedeeltelijk arbeidsgeschikte
die werkt en daarmee minstens de helft verdient van wat hij
gezien zijn arbeidsbeperking nog zou kunnen verdienen ('resterende
verdiencapaciteit') krijgt een loonaanvulling van 70 procent
van het verschil tussen het oude loon en de resterende verdiencapaciteit.
Iemand die niet werkt of met werk minder dan de helft van
zijn resterende verdiencapaciteit benut, heeft recht op een
vervolguitkering van 70 procent van het minimumloon vermenigvuldigd
met het arbeidsongeschiktheidspercentage. De gedeeltelijk
arbeidsgeschikte heeft in beginsel tot zijn 65-ste aanspraak
op de loonaanvulling of vervolguitkering.
Uitvoering
In 2006 kunnen grote werkgevers ervoor kiezen
het risico voor gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid in hun bedrijf
bij het UWV onder te brengen, zelf te dragen of onder te brengen
bij een private verzekeraar. Kleine werkgevers die nu ook
al eigenrisicodrager zijn, mogen dat blijven. Het UWV rekent
in 2006 voor alle werkgevers (ongeacht hoeveel werknemers
in hun bedrijf gedeeltelijk arbeidsgeschikt worden) een gelijke
premie. Vanaf 2007 hebben alle werkgevers de keuze of ze het
risico van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van hun werknemers
zelf dragen, onderbrengen bij een private verzekeraar of bij
het UWV. Om eerlijke concurrentie tussen UWV en verzekeraars
mogelijk te maken komt er vanaf 2007 een opslag op de UWV-premie
voor de WGA. Verzekeraars moeten kapitaal reserveren om de
uitkeringen te kunnen betalen. Ze moeten dit doorberekenen
in de premies. Het UWV hoeft niet zo'n buffer aan te leggen
en zou dus lagere premies kunnen hanteren. De tijdelijke lastenverzwaring
die hiervan het gevolg is, wordt vanaf 2007 gecompenseerd.
Inkomensbescherming
Voor mensen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
zijn, is werkhervatting niet aan de orde. Een werknemer is
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt als hij niet meer dan
20 procent van zijn laatstverdiende loon kan verdienen en
hij ook niet meer beter kan worden of de kans daarop heel
klein is. De Geus vindt het de taak van de overheid om deze
groep een redelijke, toekomstbestendige inkomensvoorziening
te bieden. De Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten
(IVA) kent een uitkering van 70 procent van het laatstverdiende
loon. Hierbij geldt wel een maximum. Mensen die langdurig
zijn aangewezen op de IVA krijgen niet te maken met verdere
inkomensachteruitgang; hiermee vervalt het zogeheten ‘WAO-gat’.
Werknemers die volledig arbeidsongeschikt zijn en een geringe
kans op herstel hebben, worden de eerste vijf jaar jaarlijks
herkeurd om te bezien of herstel optreedt. Als een dergelijke
werknemer op een gegeven ogenblik gedeeltelijk arbeidsgeschikt
wordt verklaard, gaat deze over van de IVA naar de Regeling
werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). Is dat
niet het geval, dan blijft men onder de IVA vallen.
Zieke werknemers waarvan al eerder dan na twee jaar ziekte
duidelijk is dat zij volledig arbeidsongeschikt zijn en geen
kans op herstel hebben, kunnen na een wachttijd van drie maanden
een aanvraag indienen voor een IVA-uitkering. Als zij inderdaad
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, dan krijgen zij
vanaf dat moment een uitkering. De loondoorbetaling loopt
gewoon door gedurende de eerste twee ziektejaren. De uitkering
wordt hierop in mindering gebracht.
De IVA-uitkering zal met terugwerkende kracht tot 1 januari
2006 worden verhoogd tot 75 procent van het laatst verdiende
loon als er in 2006 niet meer dan 25.000 volledig duurzaam
arbeidsongeschikten zijn bijgekomen. Bovendien mag aan werknemers
over twee ziektejaren niet meer dan 170 procent van het laatstverdiende
loon aan ziekengeld zijn uitbetaald. Als aan beide voorwaarden
is voldaan dan zal naast de uitkeringsverhoging ook de zogeheten
Pemba-premie voor werkgevers, waarvan de hoogte afhangt van
het aantal werknemers dat in de WAO komt, worden afgeschaft.
Overige aspecten
Werknemers die minder dan 35 procent loonverlies
lijden, vallen niet onder de regeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten,
maar blijven zo veel mogelijk in dienst van de werkgever.
Als zo’n werknemer z’n eigen werk niet meer kan
doen en een baan accepteert bij een nieuwe werkgever dan heeft
die werkgever recht op een no risk polis. Dit betekent dat
de werkgever als de werknemer binnen 5 jaar ziek wordt het
loon niet zelf hoeft door te betalen.
De invoering van de WIA levert in combinatie met de recent
ingevoerde aanscherping van de keuringscriteria op termijn
een totale daling van de lasten voor werkgevers en werknemers
op van bijna 2 miljard euro per jaar. In dit cijfer is rekening
gehouden met het feit dat verzekeringen voor het WAO-gat niet
meer nodig zijn. Indien de IVA-uitkeringen worden verhoogd
tot 75 procent en de Pemba-premie wordt afgeschaft, bedraagt
de totale daling ongeveer 1,5 miljard euro. De daling van
de lasten vertaalt zich in de premiestelling. Per 1 januari
2006 daalt de WIA-premie ten opzichte van de WAO-premie met
0,85 procentpunt.
De WIA wordt op 1 januari 2006 van kracht. De huidige WAO
blijft gelden voor bestaande gevallen.
« Klik hier voor
het nieuwsoverzicht
|